Nu het stof van de verkiezingen is neergedaald en we weer vooruit gaan, is het misschien leuk om even stil te staan bij een veelgebruikt argument. We hebben de afgelopen weken en maanden kunnen zien, dat zelfs partijen die doorgaans niet zo veel op hebben met “groen doen”, ineens een voorliefde voor vogelbescherming tonen. Mooi.
Het gaat dan vooral om de Lithse polder, een weidevogelgebied waar windmolens gepland staan. De energietransitie is belangrijk, vanwege het klimaat en het afbouwen van onze energie-afhankelijkheid van dubieuze regimes. Er wordt dan ook een zorgvuldige afweging gemaakt tussen dit belang, en het belang van de natuur in dat gebied. En daarbij zijn vogels ineens interessant genoeg om in die discussie betrokken te worden.
Als je vogels zo belangrijk vindt om er een belangrijk instrument in de energietransitie voor tegen te houden, overigens met ernstige gevolgen voor diezelfde vogels, moet je juist nu alle kansen met beide handen aangrijpen om de vogels te helpen.
Weidevogels en hun nesten zijn namelijk veelvuldig het slachtoffer van onze Poekie, Tijgertje of Minoes: katten dus. Terwijl windmolens volgens de bekende cijfers in Nederland jaarlijks ongeveer 50.000 vogels het leven kosten, zorgen onze schattige huisgenoten ervoor dat maar liefst 35 miljoen gevleugelde vrienden gaan hemelen. En dan hebben we het nog niet eens over de eieren die ze uit de nesten roven, of over andere prooien die ze massaal te pakken krijgen waarmee ze het ecosysteem verstoren.
Kom, partijen, doe wat met je nieuwe beschermingsdrang. Maar dan wel eerst het laaghangend fruit graag. Want zeg nou zelf: windmolens tegenhouden om vogels te beschermen, is alsof je fijnstof wil voorkomen door bbq-en te verbieden voor de buren van Tata Steel.
Dus nu doorpakken en pas die APV aan: huiskatten horen in huis. Simpel. Daar hebben vogels tenminste echt wat aan.
Deze column schreef ik voor lokale zender Dtv.



